Overslaan en naar de algemene inhoud gaan

U bent hier

Relationele en seksuele vorming in de lerarenopleiding

Basiscompetenties voor relationele en seksuele vorming

De meeste lectoren vinden dat de bestaande basiscompetenties volstaan ter voorbereiding van seksuele vorming, zo blijkt tenminste uit een bevraging. Slechts enkele respondenten halen extra competenties aan, maar die blijken toch terug te vinden in de basiscompetenties (Ooms, 2011).

Welke competenties moeten leraren hebben om relationele en seksuele vorming (RSV) te kunnen geven? Hier lees je hoe je de competenties om seksuele vorming te geven kan koppelen aan het beroepsprofiel voor de leraar secundair onderwijs (Aelterman, 2008). 

De leraar als jongerenbegeleider

De leraar is als jongerenbegeleider ook een begeleider van de relationele en seksuele ontwikkeling van jongeren. Hij staat mee in voor de lessen relationele en seksuele vorming binnen het curriculum en het pedagogisch project van de school. Maar evengoed kan hij getuige zijn van seksueel getinte situaties op school, vangt hij noodsignalen op van leerlingen of werkt hij actief mee aan de uitbouw van een schoolbeleid rond seksualiteit en relaties. 

Beroepsprofiel van de leraar

Het huidige beroepsprofiel van de leraar secundair onderwijs, gestemd door het Vlaams Parlement in 2007 is een goede vertrekbasis om de nodige competenties te omlijnen. Volgens dat beroepsprofiel staat de school niet alleen in voor de cognitieve vorming maar ook 'voor de waardeontwikkeling, de affectieve, sociale, lichamelijke, muzische, ethisch-religieuze vorming’ (Aelterman, 2008, p. 10).

Hij of zij begeleidt dus ook het leerproces over relaties en seksualiteit en de seksuele ontwikkeling. Dat leerproces vindt in de klas plaats, maar ook daarbuiten. Alle seksueel gedrag dat leerlingen stellen en de manier waarop de school daarmee omgaat, maakt deel uit van dat leerproces. 

Welke typefuncties uit het beroepsprofiel zijn toepasbaar op relationele en seksuele vorming? Welke basiscompetenties uit het beroepsprofiel helpen leraars om kwaliteitsvolle seksuele vorming te geven en de seksuele ontwikkeling van jongeren ook buiten de klas adequaat te begeleiden? 

De leraar die relationele en seksuele vorming geeft

  • begeleidt leer- en ontwikkelingsprocessen;
  • is een opvoeder;
  • is (deels) inhoudelijk expert;
  • is partner van ouders/opvoeders en van externe organisaties;
  • is lid van het schoolteam rondom hem en van de hele onderwijsgemeenschap.

Het Vlaams onderwijsbeleid schept een kader om op de competenties van leraars inzake seksuele vorming in te zoomen. Ook de Wereldgezondheidsorganisatie buigt zich sinds enkele jaren over de kwaliteit van seksuele vorming. Wat houdt seksuele vorming eigenlijk in en wat moeten leraren en opvoeders dus kennen en kunnen om dit onderwerp met jongeren te bespreken? 

1. De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen

De leraar kan:

  • geschikte leerinhouden selecteren uit de thema’s waarover relationele en seksuele vorming gaat en kan deze leerinhouden op een samenhangende manier brengen (zie ‘De leraar als begeleider’ 1.3 en 1.4 in het beroepsprofiel. Aelterman, 2008, p. 12-14). Zie ook het overzicht van competenties van seksuele opvoeders van de Wereldgezondheidsorganisatie (Kapella & Brockschmid, 2017).
  • een methodische aanpak en groeperingsvorm kiezen die geschikt is voor thema’s als relaties en seksualiteit. De leraar kan omgaan met emotionele reacties van leerlingen en kan privacy, respect en veiligheid in de groep bewerkstelligen (zie ‘De leraar als begeleider’ 1.7 in het beroepsprofiel).
  • omgaan met de diversiteit van de groep (1.12). Hij kan methodieken en materialen selecteren en gebruiken die oog hebben voor diversiteit. Hij kan werkvormen inzetten die verbindend werken in plaats van te focussen op verschillen. Hij gaat bewust om met beeld- en taalgebruik en kan gevoelige thema’s zoals homoseksualiteit brengen. Hij heeft binnen zorgverbreding oog voor de specifieke problemen rond relaties en seksualiteit van kwetsbare jongeren (zie ‘De leraar als begeleider’ 1.12 in het beroepsprofiel).

Voorbeeld

Antonella, 38 jaar stelt een lesprogramma samen over seksuele vorming. Ze kiest haar werkvormen zodanig dat heel veel gezinsvormen aan bod komen, omdat ze weet dat dat verbindend werkt. Ze zoekt een geschikt spel daarvoor. Zij kiest als onderwerp ‘huwelijk’. 

2. De leraar als opvoeder

De leraar kan:

  • een positief leefklimaat creëren in de klas en op de school met zorg om het welzijn van leerlingen (zie 'De leraar als opvoeder' 2.1 in het beroepsprofiel. Aelterman, 2008, p. 12-14). In dit schoolklimaat is er aandacht en respect voor de relationele en seksuele ontwikkeling van kinderen en jongeren. 
  • de emancipatie van de leerlingen bevorderen (zie 'De leraar als opvoeder' 2.2). De leraar kan werkvormen hanteren waarin een grote vorm van participatie belangrijk is. 
  • waardeontwikkeling en emotionele opvoeding ondersteunen. De leraar kan activerende werkvormen voor waardevorming rond relaties en seksualiteit adequaat gebruiken. De leraar besteedt in lessen relationele en seksuele vorming aandacht aan de emotionele component van relaties en seksualiteit. De leraar kan leerlingen ondersteunen om gevoelens te herkennen, ermee om te gaan en gevoelens van anderen te respecteren (zie 'De leraar als opvoeder' 2.3 en Winkelman, 2013, p. 51, punt 3).
  • leerlingen met bijzondere sociale en emotionele noden herkennen, opvangen en adequaat doorverwijzen in overeenstemming met het schoolbeleid (zie 'De leraar als persoon' 2.5). De leraar heeft inzicht in de fysieke, psychologische en relationele componenten van de seksuele ontwikkeling van jongeren.  
  • zijn eigen waarden en gevoeligheden in verband met relaties en seksualiteit zien (zie ‘de leraar als persoon’, Aelterman, 2008, p.39 en Winkelman, 2013, p. 51, punt 5). 

Voorbeeld

Ann, 43 jaar, geeft les in OKAN klassen. Bij een les over wetgeving komt het onderwerp op de rol van de vrouw in de samenleving. Een leerling van de klas doet een heel negatieve uitspraak over vrouwen. Ann laat de leerling rustig zijn verhaal doen en stelt heel veel vragen. Dan vertelt ze dat mannen en vrouwen in België gelijke kansen hebben.  

3. De leraar als inhoudelijk expert

De leraar kan

Voorbeeld

Claude, 37 jaar bereidt zich voor op de projectweek over seksualiteit en relaties. Hij zoekt informatie over soa’s. Hij wil wat extra informatie opzoeken over de actuele trends en cijfers. Hij zoekt actuele informatie en cijfermateriaal om te weten hoe vaak die voorkomen bij jongeren. 

Sophie, 27 jaar, wil een project uitwerken voor het 5e middelbaar BSO over seksuele vorming. Ze zoekt bij de thema's op Seksuelevorming.be waarover seksuele vorming voor die leeftijd kan gaan. Ze checkt de richtlijnen en werkt dat verder uit.     

4. De leraar als partner van de ouders/verzorgers en externen

De leraar kan:

  • zich op de hoogte stellen van en discreet omgaan met de gegevens over leerlingen (zie 'De leraar als partner van de ouders/verzorgers' 6.1, Aelterman, 2008, p. 12-14). 
  • met ouders en andere opvoeders communiceren over hun kind in de school en over het klas- en schoolgebeuren ('De leraar als partner van de ouders/verzorgers' 6.2).
  • in partnerschap werken met ouders en andere opvoeders en met andere organisaties en deskundigen uit bijvoorbeeld de CLB’s en de welzijnssector in functie van het welzijn van de leerlingen (zie 'De leraar als partner van de ouders/verzorgers' 6.3 en 'De leraar als partner van externen 8.1) . 
  • communiceren en samenwerken met externe organisaties met een aanbod rond relaties en seksualiteit in functie van het welzijn van de leerlingen of het realiseren van het curriculum (zie 'De leraar als partner van externen' 8.1). 

Voorbeeld

Marjan, 38 jaar, stelt vast dat een meisje in het 4e middelbaar zwanger is. Zij neemt haar apart na de les. Zij zoekt samen met de leerlinge hulp bij het CLB. Ze zoekt het adres op van Fara en raadt de leerlinge aan ook op Allesoverseks.be te zoeken. 

5. De leraar als lid van een schoolteam en van de onderwijsgemeenschap

De leraar kan:

  • zijn eigen visie en aanpak inzake relaties en seksualiteit en seksueel gedrag van jongeren bespreken in team.
  • concrete cases van seksueel gedrag inschatten en er gepast op reageren op basis van het Sensoa Vlaggensysteem
  • zijn eigen aanpak situeren binnen het schoolbeleid rond relaties en seksualiteit. 

Voorbeelden

Bram, 37 jaar, maakt deel uit van de werkgroep ‘relaties en seks’ die de projectdagen coördineert. Hij bespreekt de aanpak RSV met de collega’s en motiveert leraars om samen te werken. Hij wil een plan om beter zicht te krijgen op het volledige schoolprogramma.  

Elke, 47 jaar, overlegt met de directie om een interventieplan te hebben voor als er zich een situatie met grensoverschrijdend gedrag voordoet.  

Conclusie

Uit het beroepsprofiel van de leraar secundair onderwijs kan je specifieke competenties voor relationele en seksuele vorming afleiden. De richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie vullen die aan. 

Bronnen

Aelterman, A. et al. (2008). Een nieuw profiel voor de leraar secundair onderwijs. Hoe worden leraren daartoe gevormd? Informatiebrochure bij de invoering van het nieuwe beroepsprofiel en de basiscompetenties voor leraren. Brussel: Departement Onderwijs en Vorming. Geraadpleegd op 02/02/2016 via Vlaanderen.be.

Kapella, O. & Brockschmidt, L. (2017). Training matters: A framework for core competencies of sexuality educators. Cologne: WHO Regional Office for Europe and BZgA. Geraadpleegd op 07/08/2018 via BZgA 

Winkelmann, C. (2010). Standards for Sexuality Education in Europe: a framework for policy makers, educational and health authorities and specialists. Köln: WHO Regional Office for Europe and BZgA. Geraadpleegd op 02/02/2016 via Seksuelevorming.be